Banner

Ik wil aan de slag binnen mijn samenwerkingsverband

Het Steunpunt Passend Onderwijs organiseert verschillende activiteiten voor (leidinggevenden van) samenwerkingsverbanden, zoals informatiebijeenkomsten en activiteiten rond het ‘Samen leren’.

Ook ontwikkelt het steunpunt ondersteunende tools voor samenwerkingsverbanden. Inzet van de activiteiten is samenwerkingsverbanden te ondersteunen bij de uitvoering en de verbetering van passend onderwijs.

icnMeer lezenSluit

Samen leren

Het Steunpunt Passend Onderwijs organiseert verschillende activiteiten voor (leidinggevenden van) samenwerkingsverbanden, zoals informatiebijeenkomsten en activiteiten rond het ‘Samen leren’. Ook ontwikkelt het steunpunt ondersteunende tools voor samenwerkingsverbanden. Inzet van de activiteiten is samenwerkingsverbanden te ondersteunen bij de uitvoering en de verbetering van passend onderwijs.

  • Banner
    Netwerk kwaliteitszorg

    Het Steunpunt Passend Onderwijs, de Sectorraad Samenwerkingsverbanden VO en het Netwerk LPO organiseren voor leidinggevenden…

    Lees meer

  • Banner
    Netwerkbijeenkomsten samenwerkingsverbanden en gemeenten

    Tijdens netwerkbijeenkomsten ontmoeten medewerkers van samenwerkingsverbanden en gemeenten elkaar rond gedeelde vraagstukken en actuele thema’s.…

    Lees meer

Banner
¡Inclusie is een werkwoord!

Bekijk terugblik

Veelgestelde vragen

  • De werkgeversfunctie is een van de functies van de raad van toezicht. Het maakt echter verschil welk bestuursmodel van toepassing is. Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit de aangesloten schoolbesturen dan is het praktisch ondenkbaar dat de raad van toezicht het bestuur ontslaat omdat het bestuur immers bestaat uit de aangesloten schoolbesturen (waarbij de schoolbesturen een wettelijke plicht hebben tot aansluiting op straffe van bekostigingssancties). Als sprake is van een vertrouwenscrisis tussen de aangesloten schoolbesturen en de raad van toezicht is eerder aan te nemen dat dit zal leiden tot vertrek van de intern toezichthouders. Dit laat onverlet dat de raad van toezicht wel kan ingrijpen bij een disfunctionerend bestuurslid door dit bestuurslid bijvoorbeeld voor een bepaalde periode te schorsen.

    Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een directeur-bestuurder berust de werkgeversfunctie (benoemen, schorsen en ontslaan, arbeidsvoorwaarden etc.) bij de raad van toezicht. De directeur-bestuurder is ‘de spin in het governance-web’. Het is aan de raad van toezicht om voldoende in verbinding te staan met de schoolbesturen, het personeel van het samenwerkingsverband en de ondersteuningsplanraad om een goed beeld te hebben van het functioneren van de directeur-bestuurder en met deze input (naast de eigen waarneming) de jaarlijkse gesprekkencyclus vorm te geven.

  • Nee, de raad van toezicht moet integraal toezicht kunnen uitoefenen. Het is niet toegestaan om bijvoorbeeld het goedkeuren van het beleid exclusief bij de aangesloten schoolbesturen neer te leggen (in de deelnemersraad of in de algemene vergadering). De raad van toezicht dient niet alleen de begroting goed te keuren maar ook het ondersteuningsplan. De begroting is immers de financiële vertaling van de inhoudelijke beleidsvoornemens van het samenwerkingsverband. De onderwijswetgeving eist bovendien dat niet alleen de begroting maar ook de strategische beleidsplannen door de intern toezichthouder moeten worden goedgekeurd.

  • De onafhankelijk voorzitter fungeert als regisseur van het governanceproces. Voor deze benoeming is een breed draagvlak nodig bij in elk geval de aangesloten schoolbesturen en de directeur-bestuurder van het samenwerkingsverband. Het is belangrijk dat deze personen ook een beslissende stem hebben in de benoeming. Dit sluit niet uit dat ook de OPR hierin een belangrijke rol kan vervullen, maar niet exclusief. Een OPR-vertegenwoordiger kan onderdeel zijn van de benoemingsadviescommissie (BAC) die belast is met de selectie van een onafhankelijk voorzitter en het doen van een voordracht ter benoeming. Indien sprake is van een unaniem BAC-advies en een positief advies van de directeur-bestuurder, is er niets op tegen om de betrokken kandidaat (tevens formeel) te laten voordragen door de OPR.

  • De leden van de raad van toezicht worden geworven op basis van een kwaliteitsprofiel. Over dit profiel moet het bestuur van het samenwerkingsverband advies vragen aan de OPR. De OPR kan aangeven bij welk profiel zij het vinden passen om een bindende voordracht te doen. Er zijn verschillende profielen mogelijk. Veelal is sprake van een specifiek expertiseprofiel, bijvoorbeeld iemand uit het sociaal domein, de jeugdhulp of de financiële hoek. Ook een stakeholders-profiel is mogelijk (iemand die ervaring heeft met medezeggenschap of belangenbehartiging van ouders, personeel, leerlingen); een lid met een stakeholdersprofiel heeft als aandachtsgebied te letten op de belangen van leerlingen, ouders en personeel van de scholen). Ook een lid dat op bindende voordracht van de OPR wordt benoemd is onafhankelijk, en fungeert zonder ‘last of ruggespraak’.

  • Dit hoeft niet het geval te zijn. Een onafhankelijk voorzitter wil zeggen dat die persoon geen enkel persoonlijk of zakelijk belang heeft bij het samenwerkingsverband of bij een van de aangesloten schoolbesturen. Het wil niet zeggen dat de onafhankelijk voorzitter geen mening mag hebben of altijd ‘beleidsneutraal’ moet zijn. Een onafhankelijk voorzitter die lid is van het intern toezichthoudend orgaan (en dus stemrecht heeft) zal zich net als de overige leden mede-verantwoordelijk voelen voor het intern toezicht. De voorzitter zal zich uiteraard concentreren op zijn voorzitterstaak maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid om net als de overige leden op inhoud zich constructief-kritisch op te stellen jegens het bestuur van het samenwerkingsverband.

  • Indien de onafhankelijk voorzitter lid wordt van het intern toezichthoudend orgaan heeft hij automatisch stemrecht, net als de overige leden van dit orgaan. Dit stemrecht kan hem dan niet worden onthouden. Het samenwerkingsverband kan ook kiezen voor een voorzitter zonder stemrecht, maar dan is juridisch gezien de voorzitter geen lid van dit orgaan. De voorzitter is dan niet bevoegd om formele documenten te tekenen (zoals het jaarverslag) en is ook niet ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het samenwerkingsverband dient in dit situatie dus een formele voorzitter uit eigen kring te benoemen (de zgn. statutaire voorzitter). De statutaire voorzitter is wel tekeningsbevoegd en wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

  • Er leven veel vragen rond privacy en het delen en verwerken van persoonsgegevens tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden. Deze verzameling van de veelgestelde vragen geeft antwoorden.

    In deze FAQ staan antwoorden op vragen rond de volgende onderwerpen:

    • Vragen over Convenant
    • AVG, verschillende wetgeving en beroepscodes
    • Vragen over proces en rol ouders

    Privacyconvenant

    Met het Privacy Convenant worden afspraken vastgelegd tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden over het verwerken van persoonsgegevens van jongeren (en eventueel hun ouders) in de samenwerking tussen deze partijen.

  • Aan een toelaatbaarheidsverklaring pro of aanwijzing lwoo dient een volgnummer te worden toegekend. Daarbij dient er een afschrift van het advies over de ondersteuning aan de ouders te worden verstrekt.
    Bekijk een voorbeeld van een toelaatbaarheidsverklaring pro of aanwijzing lwoo.

  • Bij het opstellen van het Model Privacy Convenant Samenwerking Onderwijs-Gemeente-Jeugdhulp – 18 augustus 2021 is geen DPIA opgesteld. De partijen die in de regio het convenant afsluiten moeten zelf afwegen of een DPIA noodzakelijk is. Een DPIA is aan orde als verwerking van persoonsgegevens gepaard gaat met hoge risico’s in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

    Het Convenant gaat er van uit dat er geen nieuwe verwerkingsverantwoordelijke ontstaat, elke partij neemt uit het casusoverleg alleen die persoonsgegevens mee die nodig zijn voor de eigen taak. Er wordt in die situatie dus ook geen nieuwe digitaal systeem gebouwd waarin persoonsgegevens worden ondergebracht. De inzet van nieuwe technologieën voor verwerking van persoonsgegevens is dus niet aan de orde (AVG benoemt dit als indicator voor DPIA).

    Het gaat wel om gevoelige persoonsgegevens (met name gezondheidsgegevens). Bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet er een DPIA worden uitgevoerd. De vraag is of casusoverleg valt onder de noemer grootschalig; op schoolniveau gaat het om zeer kleine aantallen (thuiszitters zijn vaak op 1 hand te tellen). Op het niveau van het SWV gaat het om meer leerlingen, maar de vraag is of dit valt onder categorie grootschalig.

    Het Convenant heeft wel rekening gehouden met mogelijke risico’s die verbonden zijn aan gegevensuitwisseling in de context van meerdere partijen en daar is aandacht aan besteed met o.a. de volgende bepalingen:

    • Alleen gegevens uitwisseling met het oog op de eigen taak (doelbepaling);
    • Niet meer gegevens uitwisselen dan strikt nodig (werken met buitenkant informatie);
    • Toestemming goed regelen van betrokkene in het kader de geheimhoudingsplicht van professionals (toestemmingsformulier);
    • Betrokkene/ouders wordt uitgenodigd voor Casusoverleg en is in principe zelf aanwezig;
    • Bij elke fase in Casusoverleg bepalen voor welk doel, welke informatie van wie nodig is (bijlage inrichting casusoverleg);
    • Elke partij is als verwerkingsverantwoordelijke belast met beveiliging van persoonsgegevens (toegang bepalen, meerfactor authenticatie etc.).

    Het is vooral zaak dat elke partij voor zichzelf nagaat of met name de gezondheidsgegevens die verwerkt worden in de eigen gegevensverwerking naar aanleiding van het Casusoverleg voor betrokkene een hoog risico opleveren.

  • Voor het samenwerkingsverband een beslissing neemt over het toewijzen van de ondersteuning voor lwoo en pro, moeten twee deskundigen advies geven. Net als bij het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so. De eerste deskundige is een orthopedagoog of psycholoog. Afhankelijk van de leerling geeft ten minste een tweede deskundige advies. Dit is een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker, een arts, of een deskundige op het terrein van vmbo en pro. Deze laatste deskundige is specifiek toegevoegd voor de toewijzing van lwoo en pro. De vmbo-/pro-deskundige is een deskundige met relevante werkervaring en kennis over de schoolsoorten vmbo en praktijkonderwijs. Bijvoorbeeld een onderwijskundige met een aantal jaar werkervaring in het vmbo en pro.

    Het is niet verplicht om een vmbo-/pro-deskundige te betrekken, maar het wordt met name aanbevolen als het gaat om leerlingen die zich op het grensvlak van lwoo en pro bevinden. Reden hiervoor is dat het samenwerkingsverband goed moet kunnen inschatten of een leerling wel of niet in staat is om – met extra ondersteuning – een vmbo-diploma te halen. Het gaat hier dus niet alleen om een keuze over de ondersteuning die een leerling krijgt, maar ook over de schoolsoort waar de leerling naartoe gaat.

  • In uitzonderingsgevallen mag een leerling vanuit groep 7 doorstromen naar praktijkonderwijs wanneer de leerling 8 jaar basisonderwijs heeft gevolgd, wanneer de directeur van de po-school hiervoor een positief advies geeft. Meer informatie is te vinden in artikel 39 lid 4 van de WPO: “Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.” Een maatwerktraject (onderwijs op andere locatie) waarbij de leerling nog blijft ingeschreven op de po-school is ook een mogelijkheid.

  • Ja, dat mag. Zowel bij het begin van de schoolloopbaan vo als tussentijds.

  • In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

    Inhoud van het ondersteuningsplan

    In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

    • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
    • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en de duur van de ondersteuningstoewijzing lwoo;
    • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
    • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
    • Financiën:
      – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
      – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
      – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

    Vaststelling ondersteuningsplan

    Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.