Banner

Bestuurlijke samenwerking en samenwerkingsverbanden

  • Nee, het is niet wettelijk verplicht dat ouders en/of voogd een tlv-aanvraag ondertekenen. Sommige scholen en samenwerkingsverbanden vragen dit wel van ouders. Dit is hun eigen beleid.

    Uitgangspunt is dat de school met ouders bespreekt wat het ontwikkelingsperspectief OPP) is van de leerling, welke ondersteuning een leerling nodig heeft. De ouders moeten het OPP ondertekenen. Het is belangrijk dat de school uitlegt aan ouders waarom zij een tlv wil aanvragen voor het vso en dat ouders instemmen met de aanvraag.

    Tegen een besluit van een samenwerkingsverband over een toelaatbaarheidsverklaring kunnen betrokken ouders, maar ook het schoolbestuur, bezwaar indienen. Elk samenwerkingsverband is wettelijk verplicht voor deze bezwaarschriftprocedure een (bezwaar)adviescommissie te hebben. Die adviescommissie brengt een advies uit aan het samenwerkingsverband dat vervolgens een beslissing moet nemen op het bezwaar.

    Er is een Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT).

  • De school voor voortgezet (speciaal) onderwijs waar de leerling wordt aangemeld moet de toelaatbaarheidsverklaring aanvragen. Dat doet de school bij het samenwerkingsverband passend onderwijs waar de leerling woont. Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor vier situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

  • Tegen zo’n besluit kunnen ouders, maar ook het schoolbestuur, binnen zes weken na afgifte van de tlv bezwaar indienen bij het samenwerkingsverband. Elk samenwerkingsverband heeft voor de bezwaarschriftprocedure een (bezwaar)adviescommissie. De meeste samenwerkingsverbanden hebben zich hiervoor aangesloten bij de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT). De LBT is ondergebracht bij Onderwijsgeschillen. Op de website van Onderwijsgeschillen staat te lezen hoe zo’n bezwaarprocedure in zijn werk gaat. Daar is ook een formulier te vinden waarmee bezwaar ingediend kan worden bij het samenwerkingsverband.

    Meer informatie: Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT).

  • Docenten, ouders en scholieren kunnen invloed uitoefenen op passend onderwijs binnen een school en op het beleid van een samenwerkingsverband.

    Medezeggenschap op scholen

    Elke school heeft een medezeggenschapsraad (MR), waarin ouders, personeel en – in het voortgezet onderwijs – ook leerlingen zitten. De MR denkt actief mee over het beleid van de school. De MR van de school heeft adviesrecht op het vaststellen van het schoolondersteuningsprofiel. In dit profiel beschrijft de school welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen en hoe deze ondersteuning is georganiseerd.

    Medezeggenschap samenwerkingsverband

    De ondersteuningsplanraad (OPR) is een speciale medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband. In de OPR zitten ouders, personeel en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen. De leden van de OPR worden afgevaardigd door de MR van de scholen, maar zij hoeven zelf niet in de MR te zitten. De OPR bestaat uit minimaal 4 leden, evenredig verdeeld over de ouder/ leerling-geleding en de personeelsgeleding. Minimaal twee keer per jaar moet het samenwerkingsverband overleg organiseren tussen de intern toezichthouder en de OPR.

    De OPR heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. In dit plan staan onder meer de afspraken van het samenwerkingsverband over de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Ook wordt beschreven welke leerlingen een plek kunnen krijgen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en hoe de verdeling van het geld is. Het ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar aangepast. De OPR moet dit plan goedkeuren voor het samenwerkingsverband het naar de Inspectie van het Onderwijs mag sturen.

    Wet medezeggenschap op scholen

    Op deze website vind je (actuele) informatie over de Wet medezeggenschap op scholen.

  • De werkgeversfunctie is een van de functies van de raad van toezicht. Het maakt echter verschil welk bestuursmodel van toepassing is. Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit de aangesloten schoolbesturen dan is het praktisch ondenkbaar dat de raad van toezicht het bestuur ontslaat omdat het bestuur immers bestaat uit de aangesloten schoolbesturen (waarbij de schoolbesturen een wettelijke plicht hebben tot aansluiting op straffe van bekostigingssancties). Als sprake is van een vertrouwenscrisis tussen de aangesloten schoolbesturen en de raad van toezicht is eerder aan te nemen dat dit zal leiden tot vertrek van de intern toezichthouders. Dit laat onverlet dat de raad van toezicht wel kan ingrijpen bij een disfunctionerend bestuurslid door dit bestuurslid bijvoorbeeld voor een bepaalde periode te schorsen.

    Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een directeur-bestuurder berust de werkgeversfunctie (benoemen, schorsen en ontslaan, arbeidsvoorwaarden etc.) bij de raad van toezicht. De directeur-bestuurder is ‘de spin in het governance-web’. Het is aan de raad van toezicht om voldoende in verbinding te staan met de schoolbesturen, het personeel van het samenwerkingsverband en de ondersteuningsplanraad om een goed beeld te hebben van het functioneren van de directeur-bestuurder en met deze input (naast de eigen waarneming) de jaarlijkse gesprekkencyclus vorm te geven.

  • Nee, de raad van toezicht moet integraal toezicht kunnen uitoefenen. Het is niet toegestaan om bijvoorbeeld het goedkeuren van het beleid exclusief bij de aangesloten schoolbesturen neer te leggen (in de deelnemersraad of in de algemene vergadering). De raad van toezicht dient niet alleen de begroting goed te keuren maar ook het ondersteuningsplan. De begroting is immers de financiële vertaling van de inhoudelijke beleidsvoornemens van het samenwerkingsverband. De onderwijswetgeving eist bovendien dat niet alleen de begroting maar ook de strategische beleidsplannen door de intern toezichthouder moeten worden goedgekeurd.

  • De onafhankelijk voorzitter fungeert als regisseur van het governanceproces. Voor deze benoeming is een breed draagvlak nodig bij in elk geval de aangesloten schoolbesturen en de directeur-bestuurder van het samenwerkingsverband. Het is belangrijk dat deze personen ook een beslissende stem hebben in de benoeming. Dit sluit niet uit dat ook de OPR hierin een belangrijke rol kan vervullen, maar niet exclusief. Een OPR-vertegenwoordiger kan onderdeel zijn van de benoemingsadviescommissie (BAC) die belast is met de selectie van een onafhankelijk voorzitter en het doen van een voordracht ter benoeming. Indien sprake is van een unaniem BAC-advies en een positief advies van de directeur-bestuurder, is er niets op tegen om de betrokken kandidaat (tevens formeel) te laten voordragen door de OPR.

  • De leden van de raad van toezicht worden geworven op basis van een kwaliteitsprofiel. Over dit profiel moet het bestuur van het samenwerkingsverband advies vragen aan de OPR. De OPR kan aangeven bij welk profiel zij het vinden passen om een bindende voordracht te doen. Er zijn verschillende profielen mogelijk. Veelal is sprake van een specifiek expertiseprofiel, bijvoorbeeld iemand uit het sociaal domein, de jeugdhulp of de financiële hoek. Ook een stakeholders-profiel is mogelijk (iemand die ervaring heeft met medezeggenschap of belangenbehartiging van ouders, personeel, leerlingen); een lid met een stakeholdersprofiel heeft als aandachtsgebied te letten op de belangen van leerlingen, ouders en personeel van de scholen). Ook een lid dat op bindende voordracht van de OPR wordt benoemd is onafhankelijk, en fungeert zonder ‘last of ruggespraak’.

  • Dit hoeft niet het geval te zijn. Een onafhankelijk voorzitter wil zeggen dat die persoon geen enkel persoonlijk of zakelijk belang heeft bij het samenwerkingsverband of bij een van de aangesloten schoolbesturen. Het wil niet zeggen dat de onafhankelijk voorzitter geen mening mag hebben of altijd ‘beleidsneutraal’ moet zijn. Een onafhankelijk voorzitter die lid is van het intern toezichthoudend orgaan (en dus stemrecht heeft) zal zich net als de overige leden mede-verantwoordelijk voelen voor het intern toezicht. De voorzitter zal zich uiteraard concentreren op zijn voorzitterstaak maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid om net als de overige leden op inhoud zich constructief-kritisch op te stellen jegens het bestuur van het samenwerkingsverband.

  • Indien de onafhankelijk voorzitter lid wordt van het intern toezichthoudend orgaan heeft hij automatisch stemrecht, net als de overige leden van dit orgaan. Dit stemrecht kan hem dan niet worden onthouden. Het samenwerkingsverband kan ook kiezen voor een voorzitter zonder stemrecht, maar dan is juridisch gezien de voorzitter geen lid van dit orgaan. De voorzitter is dan niet bevoegd om formele documenten te tekenen (zoals het jaarverslag) en is ook niet ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het samenwerkingsverband dient in dit situatie dus een formele voorzitter uit eigen kring te benoemen (de zgn. statutaire voorzitter). De statutaire voorzitter is wel tekeningsbevoegd en wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

  • Er leven veel vragen rond privacy en het delen en verwerken van persoonsgegevens tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden. Deze verzameling van de veelgestelde vragen geeft antwoorden.

    In deze FAQ staan antwoorden op vragen rond de volgende onderwerpen:

    • Vragen over Convenant
    • AVG, verschillende wetgeving en beroepscodes
    • Vragen over proces en rol ouders

    Privacyconvenant

    Met het Privacy Convenant worden afspraken vastgelegd tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden over het verwerken van persoonsgegevens van jongeren (en eventueel hun ouders) in de samenwerking tussen deze partijen.

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • Bij het opstellen van het Model Privacy Convenant Samenwerking Onderwijs-Gemeente-Jeugdhulp – 18 augustus 2021 is geen DPIA opgesteld. De partijen die in de regio het convenant afsluiten moeten zelf afwegen of een DPIA noodzakelijk is. Een DPIA is aan orde als verwerking van persoonsgegevens gepaard gaat met hoge risico’s in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

    Het Convenant gaat er van uit dat er geen nieuwe verwerkingsverantwoordelijke ontstaat, elke partij neemt uit het casusoverleg alleen die persoonsgegevens mee die nodig zijn voor de eigen taak. Er wordt in die situatie dus ook geen nieuwe digitaal systeem gebouwd waarin persoonsgegevens worden ondergebracht. De inzet van nieuwe technologieën voor verwerking van persoonsgegevens is dus niet aan de orde (AVG benoemt dit als indicator voor DPIA).

    Het gaat wel om gevoelige persoonsgegevens (met name gezondheidsgegevens). Bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet er een DPIA worden uitgevoerd. De vraag is of casusoverleg valt onder de noemer grootschalig; op schoolniveau gaat het om zeer kleine aantallen (thuiszitters zijn vaak op 1 hand te tellen). Op het niveau van het SWV gaat het om meer leerlingen, maar de vraag is of dit valt onder categorie grootschalig.

    Het Convenant heeft wel rekening gehouden met mogelijke risico’s die verbonden zijn aan gegevensuitwisseling in de context van meerdere partijen en daar is aandacht aan besteed met o.a. de volgende bepalingen:

    • Alleen gegevens uitwisseling met het oog op de eigen taak (doelbepaling);
    • Niet meer gegevens uitwisselen dan strikt nodig (werken met buitenkant informatie);
    • Toestemming goed regelen van betrokkene in het kader de geheimhoudingsplicht van professionals (toestemmingsformulier);
    • Betrokkene/ouders wordt uitgenodigd voor Casusoverleg en is in principe zelf aanwezig;
    • Bij elke fase in Casusoverleg bepalen voor welk doel, welke informatie van wie nodig is (bijlage inrichting casusoverleg);
    • Elke partij is als verwerkingsverantwoordelijke belast met beveiliging van persoonsgegevens (toegang bepalen, meerfactor authenticatie etc.).

    Het is vooral zaak dat elke partij voor zichzelf nagaat of met name de gezondheidsgegevens die verwerkt worden in de eigen gegevensverwerking naar aanleiding van het Casusoverleg voor betrokkene een hoog risico opleveren.

  • Uit AMvB PO

    WPO:

    Artikel 34.8. Deskundigen samenwerkingsverband

    De deskundigen, bedoeld in artikel 18a, elfde lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

    Uit hoofdstuk 1: nadere voorschriften per onderdeel

    1.2 Deskundigen verbonden aan het samenwerkingsverband

    In dit besluit is, op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs, geregeld door welk type deskundigen het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het (voortgezet) speciaal onderwijs.

    In dit besluit is bepaald dat voor de toelating tot het speciaal basisonderwijs en voor toelating tot het (voortgezet) speciaal onderwijs het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren door ten minste twee deskundigen waaronder in elk geval een orthopedagoog of een psycholoog. De tweede deskundige is afhankelijk van de ondersteunings-vraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school). Dit is een psycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater.

    Het samenwerkingsverband kan er voor kiezen om extra deskundigen te betrekken bij het advies over de toelaatbaarheid van een leerling. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het samenwerkingsverband relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het samenwerkingsverband.

    Er is gekozen voor een orthopedagoog omdat deze beschikt over een brede deskundigheid ten aanzien van kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek, en bij voorkeur relevante werkervaring. Daarnaast is gekozen voor een psycholoog.

    Aanbevolen wordt dat het samenwerkingsverband kiest voor een psycholoog die beschikt over relevante werkervaring en kennis van kind- en systeemniveau, zodat deze deskundig is voor wat betreft de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en het systeem waarin zij opgroeien.

    De inzet van de deskundigen ten behoeve van de toelaatbaarheidsbeoordeling, zoals hiervoor beschreven, sluit aan bij de regeling in de wet passend onderwijs dat het samenwerkingsverband kan adviseren over de ondersteuningsbehoefte en over het ontwikkelingsperspectief van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school die is aange-sloten bij het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband kan hiervoor de genoemde deskundigen inzetten.

  • De indicatiestelling voor lwoo staat los van het schooladvies. Sommige basisscholen geven het schooladvies ‘vmbo met lwoo’. Het tweede gedeelte van dit advies – ‘met lwoo’ – is geen onderdeel van het schooladvies. Het is een constatering over de ondersteuning die deze leerling naar verwachting nodig heeft na plaatsing op de betreffende schoolsoort. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor lwoo. Het vmbo-advies is wel leidend. Het uiteindelijke besluit over toewijzing van lwoo-bekostiging ligt bij het samenwerkingsverband.

  • Het schooladvies van de basisschool is leidend voor toelating tot het vmbo, havo en vwo. Het pro is uitgezonderd van het leidende karakter van het schooladvies, omdat er een indicatiestelling nodig is om toegelaten te worden tot het pro. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs via het schooladvies bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor pro. Voor de toelating tot het pro geldt dezelfde werkwijze als voorheen. Het uiteindelijke besluit voor de toelating tot praktijkonderwijs ligt bij het samenwerkingsverband.

  • Het is belangrijk dat er een transparante samenhang is tussen de inhoudelijke plannen van het samenwerkingsverband en de inzet van de financiën. Een programmatisch opgebouwde begroting voorziet hier in.

    Verder is het van belang te weten wat het financieel perspectief van het samenwerkingsverband is, krijgt men de komende jaren te maken met een verandering in bekostiging, krimp of beleidswijzing? Tenslotte is het van groot belang dat het samenwerkingsverband het financieel management goed vorm geeft, zodat men ín control’ is. Zie voor meer tips de volgende handreiking over de kwaliteit van de beleidsdocumenten swv’en: Handreiking voor het verbeteren van de kwaliteit van beleidsdocumenten swv’s

Ondersteuningstoewijzing

Privacy en gegevensuitwisseling

  • Er leven veel vragen rond privacy en het delen en verwerken van persoonsgegevens tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden. Deze verzameling van de veelgestelde vragen geeft antwoorden.

    In deze FAQ staan antwoorden op vragen rond de volgende onderwerpen:

    • Vragen over Convenant
    • AVG, verschillende wetgeving en beroepscodes
    • Vragen over proces en rol ouders

    Privacyconvenant

    Met het Privacy Convenant worden afspraken vastgelegd tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden over het verwerken van persoonsgegevens van jongeren (en eventueel hun ouders) in de samenwerking tussen deze partijen.

  • Bij het opstellen van het Model Privacy Convenant Samenwerking Onderwijs-Gemeente-Jeugdhulp – 18 augustus 2021 is geen DPIA opgesteld. De partijen die in de regio het convenant afsluiten moeten zelf afwegen of een DPIA noodzakelijk is. Een DPIA is aan orde als verwerking van persoonsgegevens gepaard gaat met hoge risico’s in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

    Het Convenant gaat er van uit dat er geen nieuwe verwerkingsverantwoordelijke ontstaat, elke partij neemt uit het casusoverleg alleen die persoonsgegevens mee die nodig zijn voor de eigen taak. Er wordt in die situatie dus ook geen nieuwe digitaal systeem gebouwd waarin persoonsgegevens worden ondergebracht. De inzet van nieuwe technologieën voor verwerking van persoonsgegevens is dus niet aan de orde (AVG benoemt dit als indicator voor DPIA).

    Het gaat wel om gevoelige persoonsgegevens (met name gezondheidsgegevens). Bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet er een DPIA worden uitgevoerd. De vraag is of casusoverleg valt onder de noemer grootschalig; op schoolniveau gaat het om zeer kleine aantallen (thuiszitters zijn vaak op 1 hand te tellen). Op het niveau van het SWV gaat het om meer leerlingen, maar de vraag is of dit valt onder categorie grootschalig.

    Het Convenant heeft wel rekening gehouden met mogelijke risico’s die verbonden zijn aan gegevensuitwisseling in de context van meerdere partijen en daar is aandacht aan besteed met o.a. de volgende bepalingen:

    • Alleen gegevens uitwisseling met het oog op de eigen taak (doelbepaling);
    • Niet meer gegevens uitwisselen dan strikt nodig (werken met buitenkant informatie);
    • Toestemming goed regelen van betrokkene in het kader de geheimhoudingsplicht van professionals (toestemmingsformulier);
    • Betrokkene/ouders wordt uitgenodigd voor Casusoverleg en is in principe zelf aanwezig;
    • Bij elke fase in Casusoverleg bepalen voor welk doel, welke informatie van wie nodig is (bijlage inrichting casusoverleg);
    • Elke partij is als verwerkingsverantwoordelijke belast met beveiliging van persoonsgegevens (toegang bepalen, meerfactor authenticatie etc.).

    Het is vooral zaak dat elke partij voor zichzelf nagaat of met name de gezondheidsgegevens die verwerkt worden in de eigen gegevensverwerking naar aanleiding van het Casusoverleg voor betrokkene een hoog risico opleveren.

OGOO

Governance en intern toezicht

  • Docenten, ouders en scholieren kunnen invloed uitoefenen op passend onderwijs binnen een school en op het beleid van een samenwerkingsverband.

    Medezeggenschap op scholen

    Elke school heeft een medezeggenschapsraad (MR), waarin ouders, personeel en – in het voortgezet onderwijs – ook leerlingen zitten. De MR denkt actief mee over het beleid van de school. De MR van de school heeft adviesrecht op het vaststellen van het schoolondersteuningsprofiel. In dit profiel beschrijft de school welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen en hoe deze ondersteuning is georganiseerd.

    Medezeggenschap samenwerkingsverband

    De ondersteuningsplanraad (OPR) is een speciale medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband. In de OPR zitten ouders, personeel en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen. De leden van de OPR worden afgevaardigd door de MR van de scholen, maar zij hoeven zelf niet in de MR te zitten. De OPR bestaat uit minimaal 4 leden, evenredig verdeeld over de ouder/ leerling-geleding en de personeelsgeleding. Minimaal twee keer per jaar moet het samenwerkingsverband overleg organiseren tussen de intern toezichthouder en de OPR.

    De OPR heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. In dit plan staan onder meer de afspraken van het samenwerkingsverband over de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Ook wordt beschreven welke leerlingen een plek kunnen krijgen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en hoe de verdeling van het geld is. Het ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar aangepast. De OPR moet dit plan goedkeuren voor het samenwerkingsverband het naar de Inspectie van het Onderwijs mag sturen.

    Wet medezeggenschap op scholen

    Op deze website vind je (actuele) informatie over de Wet medezeggenschap op scholen.

  • De werkgeversfunctie is een van de functies van de raad van toezicht. Het maakt echter verschil welk bestuursmodel van toepassing is. Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit de aangesloten schoolbesturen dan is het praktisch ondenkbaar dat de raad van toezicht het bestuur ontslaat omdat het bestuur immers bestaat uit de aangesloten schoolbesturen (waarbij de schoolbesturen een wettelijke plicht hebben tot aansluiting op straffe van bekostigingssancties). Als sprake is van een vertrouwenscrisis tussen de aangesloten schoolbesturen en de raad van toezicht is eerder aan te nemen dat dit zal leiden tot vertrek van de intern toezichthouders. Dit laat onverlet dat de raad van toezicht wel kan ingrijpen bij een disfunctionerend bestuurslid door dit bestuurslid bijvoorbeeld voor een bepaalde periode te schorsen.

    Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een directeur-bestuurder berust de werkgeversfunctie (benoemen, schorsen en ontslaan, arbeidsvoorwaarden etc.) bij de raad van toezicht. De directeur-bestuurder is ‘de spin in het governance-web’. Het is aan de raad van toezicht om voldoende in verbinding te staan met de schoolbesturen, het personeel van het samenwerkingsverband en de ondersteuningsplanraad om een goed beeld te hebben van het functioneren van de directeur-bestuurder en met deze input (naast de eigen waarneming) de jaarlijkse gesprekkencyclus vorm te geven.

  • Nee, de raad van toezicht moet integraal toezicht kunnen uitoefenen. Het is niet toegestaan om bijvoorbeeld het goedkeuren van het beleid exclusief bij de aangesloten schoolbesturen neer te leggen (in de deelnemersraad of in de algemene vergadering). De raad van toezicht dient niet alleen de begroting goed te keuren maar ook het ondersteuningsplan. De begroting is immers de financiële vertaling van de inhoudelijke beleidsvoornemens van het samenwerkingsverband. De onderwijswetgeving eist bovendien dat niet alleen de begroting maar ook de strategische beleidsplannen door de intern toezichthouder moeten worden goedgekeurd.

  • De onafhankelijk voorzitter fungeert als regisseur van het governanceproces. Voor deze benoeming is een breed draagvlak nodig bij in elk geval de aangesloten schoolbesturen en de directeur-bestuurder van het samenwerkingsverband. Het is belangrijk dat deze personen ook een beslissende stem hebben in de benoeming. Dit sluit niet uit dat ook de OPR hierin een belangrijke rol kan vervullen, maar niet exclusief. Een OPR-vertegenwoordiger kan onderdeel zijn van de benoemingsadviescommissie (BAC) die belast is met de selectie van een onafhankelijk voorzitter en het doen van een voordracht ter benoeming. Indien sprake is van een unaniem BAC-advies en een positief advies van de directeur-bestuurder, is er niets op tegen om de betrokken kandidaat (tevens formeel) te laten voordragen door de OPR.

  • De leden van de raad van toezicht worden geworven op basis van een kwaliteitsprofiel. Over dit profiel moet het bestuur van het samenwerkingsverband advies vragen aan de OPR. De OPR kan aangeven bij welk profiel zij het vinden passen om een bindende voordracht te doen. Er zijn verschillende profielen mogelijk. Veelal is sprake van een specifiek expertiseprofiel, bijvoorbeeld iemand uit het sociaal domein, de jeugdhulp of de financiële hoek. Ook een stakeholders-profiel is mogelijk (iemand die ervaring heeft met medezeggenschap of belangenbehartiging van ouders, personeel, leerlingen); een lid met een stakeholdersprofiel heeft als aandachtsgebied te letten op de belangen van leerlingen, ouders en personeel van de scholen). Ook een lid dat op bindende voordracht van de OPR wordt benoemd is onafhankelijk, en fungeert zonder ‘last of ruggespraak’.

  • Dit hoeft niet het geval te zijn. Een onafhankelijk voorzitter wil zeggen dat die persoon geen enkel persoonlijk of zakelijk belang heeft bij het samenwerkingsverband of bij een van de aangesloten schoolbesturen. Het wil niet zeggen dat de onafhankelijk voorzitter geen mening mag hebben of altijd ‘beleidsneutraal’ moet zijn. Een onafhankelijk voorzitter die lid is van het intern toezichthoudend orgaan (en dus stemrecht heeft) zal zich net als de overige leden mede-verantwoordelijk voelen voor het intern toezicht. De voorzitter zal zich uiteraard concentreren op zijn voorzitterstaak maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid om net als de overige leden op inhoud zich constructief-kritisch op te stellen jegens het bestuur van het samenwerkingsverband.

  • Indien de onafhankelijk voorzitter lid wordt van het intern toezichthoudend orgaan heeft hij automatisch stemrecht, net als de overige leden van dit orgaan. Dit stemrecht kan hem dan niet worden onthouden. Het samenwerkingsverband kan ook kiezen voor een voorzitter zonder stemrecht, maar dan is juridisch gezien de voorzitter geen lid van dit orgaan. De voorzitter is dan niet bevoegd om formele documenten te tekenen (zoals het jaarverslag) en is ook niet ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het samenwerkingsverband dient in dit situatie dus een formele voorzitter uit eigen kring te benoemen (de zgn. statutaire voorzitter). De statutaire voorzitter is wel tekeningsbevoegd en wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Medezeggenschap passend onderwijs

  • Docenten, ouders en scholieren kunnen invloed uitoefenen op passend onderwijs binnen een school en op het beleid van een samenwerkingsverband.

    Medezeggenschap op scholen

    Elke school heeft een medezeggenschapsraad (MR), waarin ouders, personeel en – in het voortgezet onderwijs – ook leerlingen zitten. De MR denkt actief mee over het beleid van de school. De MR van de school heeft adviesrecht op het vaststellen van het schoolondersteuningsprofiel. In dit profiel beschrijft de school welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen en hoe deze ondersteuning is georganiseerd.

    Medezeggenschap samenwerkingsverband

    De ondersteuningsplanraad (OPR) is een speciale medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband. In de OPR zitten ouders, personeel en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen. De leden van de OPR worden afgevaardigd door de MR van de scholen, maar zij hoeven zelf niet in de MR te zitten. De OPR bestaat uit minimaal 4 leden, evenredig verdeeld over de ouder/ leerling-geleding en de personeelsgeleding. Minimaal twee keer per jaar moet het samenwerkingsverband overleg organiseren tussen de intern toezichthouder en de OPR.

    De OPR heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. In dit plan staan onder meer de afspraken van het samenwerkingsverband over de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Ook wordt beschreven welke leerlingen een plek kunnen krijgen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en hoe de verdeling van het geld is. Het ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar aangepast. De OPR moet dit plan goedkeuren voor het samenwerkingsverband het naar de Inspectie van het Onderwijs mag sturen.

    Wet medezeggenschap op scholen

    Op deze website vind je (actuele) informatie over de Wet medezeggenschap op scholen.

Intensieve samenwerking regulier en speciaal onderwijs

  • In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

    Inhoud van het ondersteuningsplan

    In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

    • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
    • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en de duur van de ondersteuningstoewijzing lwoo;
    • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
    • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
    • Financiën:
      – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
      – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
      – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

    Vaststelling ondersteuningsplan

    Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.

Maatwerk en ondersteuningsstructuur

  • De Jeugdwet biedt geen wettelijke grondslag voor het inzetten van een onderwijsvoorziening. Dit betekent dat de gemeente niet verplicht is een onderwijsvoorziening te leveren op grond van de Jeugdwet. Dit wil niet zeggen dat het niet mag of verboden is. Dit biedt enige ruimte voor gemeenten hier tijdelijk een eigen invulling aan te geven (uiteraard in overleg met onderwijs- en zorgaanbieders) bijvoorbeeld in de vorm van een tijdelijke oza-constructie.

    Het zorgkantoor kan vanuit de Wlz geen onderwijs financieren. Vanuit de Wlz kan onder andere dagbesteding worden geboden. Binnen de dagbesteding worden wel educatieve activiteiten aangeboden, bijvoorbeeld het aanleren van een dagstructuur. Dit is geen onderwijs. Dat betekent voor oza dat de ruimte vooral gezocht moet worden in de samenwerking tussen zorg (dagbesteding) en onderwijs in het invullen van het dagprogramma voor deze kinderen.

  • Aan een toelaatbaarheidsverklaring pro of aanwijzing lwoo dient een volgnummer te worden toegekend. Daarbij dient er een afschrift van het advies over de ondersteuning aan de ouders te worden verstrekt.
    Bekijk een voorbeeld van een toelaatbaarheidsverklaring pro of aanwijzing lwoo.

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • Ja dat kan. In het Eindexamenbesluit is in artikel 59 geregeld dat  het bevoegd gezag, de inspectie gehoord, kan toestaan dat een kandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is, en een kandidaat die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle betrokken eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het centraal examen en in voorkomend geval het schoolexamen, voor een deel van de vakken in het ene schooljaar en voor het andere deel in het daarop volgende schooljaar aflegt. Gespreid examen betekent dat het laatste schooljaar (het examenjaar) met één jaar wordt verlengd. Gedurende deze twee jaar van het gespreid examen wordt een deel van de vakken in het ene schooljaar afgesloten en het andere deel van de vakken in het tweede jaar van het gespreid examen afgesloten.  

  • Ja dat mag.

    Hier zijn wel de volgende voorwaarden aan verbonden: de leerling is en blijft ingeschreven staan op bekostigde school en volgt ook het onderwijs op een bekostigde school (Zie art. 10 bekostigingsbesluit WPO, art. 7 bek. Bes. Wvo en art. 9 bek. Bes. WEC)

    Voor het voortgezet onderwijs geldt bovendien dat een onderwijsactiviteit aan drie voorwaarden moet voldoen om als onderwijstijd in de zin van de wet te kunnen worden gezien:

    1. de activiteit is bewust gepland en verzorgd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag;
    2. de activiteit is uitgevoerd onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van een leraar of een ander die hier op grond van de wet mee belast mag worden;
    3. de medezeggenschapsraad moet er vooraf mee hebben ingestemd.

    Lees hier meer over de wet- en regelgeving rondom de inkoop van expertise, materiaal en onderwijsprogramma’s bij particuliere aanbieders.

  • De jeugdarts en leerplichtambtenaren hebben geen (formele) rol hierin. Het betreft namelijk geen voorziening gebaseerd op de leerplichtwet. De school waar de leerling staat ingeschreven vraagt de onderschrijding van de onderwijstijd aan.

    Lees verder voor meer informatie over de Variawet.

  • Sinds 1 januari 2015 is de voorliggendheid van onderwijs op zorg met de hervorming van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten komen te vervallen. Onderwijs en langdurige zorg zijn sindsdien eenvoudiger te combineren omdat in de Wet langdurige zorg onderwijs niet langer als voorliggende voorziening wordt gezien. Een vrijstelling van de leerplicht is daarom niet meer nodig om zorg te kunnen ontvangen. Hierdoor kunnen onderwijs en langdurige zorg samen en tegelijk ondersteuning bieden.

  • Het is wettelijk niet toegestaan om met medeneming van publieke bekostiging het onderwijs aan een leerling uit te besteden aan een niet-bekostigde (lees: particuliere) school. Wel kunnen scholen expertise, materiaal en onderwijsprogramma’s inkopen bij particuliere aanbieders. Voorbeelden daarvan zijn de inhuur van een deskundige die op school een plusklas opzet of het inkopen van lesmateriaal dat het mogelijk maakt dat een leerling deels onderwijs thuis volgt.

    Voorwaarde voor het ontvangen van bekostiging is en blijft dat een leerling ingeschreven staat en onderwijs volgt op een bekostigde school. Hierdoor blijft de school verantwoordelijk voor de leerling en voor het onderwijs dat de leerling volgt.

     

     

  • Veel scholen zijn in de veronderstelling zijn dat zij een leerling niet mogen inschrijven als deze minder dan 50% van het onderwijsprogramma volgt. Deze veronderstelling is niet correct. Wanneer er voor een leerling afwijking van de onderwijstijd is aangevraagd en goedgekeurd, kan er tijdelijk ook een zeer beperkt aantal uren onderwijs gegeven worden.

    De wet en de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd doen geen uitspraken over een minimum percentage van de onderwijstijd die de leerling in dit geval aanwezig moet zijn. Het is wel de bedoeling dat de leerling binnen het jaar waarvoor afwijking is gevraagd weer volledig ingroeit in het onderwijs en dat de school zich daar ook voor inspant. Als dat niet binnen dat jaar lukt en de school doet opnieuw een aanvraag, dan geldt een zwaardere motiveringsplicht.

  • Symbiose kan alleen plaatsvinden tussen scholen. In de richtlijn symbiose staat beschreven welke vormen van symbiose tussen scholen mogelijk zijn. Het is niet mogelijk dat een leerling binnen de symbiose-overeenkomst onderwijs volgt bij een privéinstelling. Wel kan en mag de school met wie de symbiose is aangegaan expertise inkopen van een particuliere instelling, dat is wat anders dan dat een leerling daar echt onderwijs volgt.

  • Nee, dit hoeft niet. Om de bureaucratische last voor scholen te verminderen gaat de Inspectie van het Onderwijs akkoord met het ‘inbedden’ van de symbiose-overeenkomst in het ontwikkelingsperspectief. In de richtlijn symbiose staat de huidige symbioseregeling beschreven en kun je vinden welke onderdelen van de schriftelijke overeenkomst bij symbiose toegevoegd moeten worden aan het ontwikkelingsperspectief.

  • Soms heeft een leerling naast onderwijsondersteuning ook begeleiding, persoonlijke, verzorging en/of  verpleging nodig tijdens de onderwijsuren. De handreiking onderwijs en zorg is bedoeld als hulpmiddel voor ouders en scholen bij het voeren van gesprekken over de benodigde zorg in het onderwijs. Download hier de handreiking.

    Onderwijszorgconsulenten

    Onderwijszorgconsulenten ondersteunen ouders en scholen die problemen ervaren bij het ontwikkelen van een onderwijszorgarrangement voor een individuele leerling en daar samen niet uitkomen. Het gaat om leerlingen voor wie zorg op school voorwaardelijk is voor het kunnen volgen van onderwijs.

    Meer informatie: www.onderwijsconsulenten.nl/advies/onderwijszorgconsulenten/

Leerroutes PTA en examens

  • Ja dat kan. In het Eindexamenbesluit is in artikel 59 geregeld dat  het bevoegd gezag, de inspectie gehoord, kan toestaan dat een kandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is, en een kandidaat die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle betrokken eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het centraal examen en in voorkomend geval het schoolexamen, voor een deel van de vakken in het ene schooljaar en voor het andere deel in het daarop volgende schooljaar aflegt. Gespreid examen betekent dat het laatste schooljaar (het examenjaar) met één jaar wordt verlengd. Gedurende deze twee jaar van het gespreid examen wordt een deel van de vakken in het ene schooljaar afgesloten en het andere deel van de vakken in het tweede jaar van het gespreid examen afgesloten.  

Maatwerk en onderwijstijd

Misverstanden over en grenzen aan maatwerk

Maatwerk en samenwerkingsvormen

  • De Jeugdwet biedt geen wettelijke grondslag voor het inzetten van een onderwijsvoorziening. Dit betekent dat de gemeente niet verplicht is een onderwijsvoorziening te leveren op grond van de Jeugdwet. Dit wil niet zeggen dat het niet mag of verboden is. Dit biedt enige ruimte voor gemeenten hier tijdelijk een eigen invulling aan te geven (uiteraard in overleg met onderwijs- en zorgaanbieders) bijvoorbeeld in de vorm van een tijdelijke oza-constructie.

    Het zorgkantoor kan vanuit de Wlz geen onderwijs financieren. Vanuit de Wlz kan onder andere dagbesteding worden geboden. Binnen de dagbesteding worden wel educatieve activiteiten aangeboden, bijvoorbeeld het aanleren van een dagstructuur. Dit is geen onderwijs. Dat betekent voor oza dat de ruimte vooral gezocht moet worden in de samenwerking tussen zorg (dagbesteding) en onderwijs in het invullen van het dagprogramma voor deze kinderen.

  • Ja dat mag.

    Hier zijn wel de volgende voorwaarden aan verbonden: de leerling is en blijft ingeschreven staan op bekostigde school en volgt ook het onderwijs op een bekostigde school (Zie art. 10 bekostigingsbesluit WPO, art. 7 bek. Bes. Wvo en art. 9 bek. Bes. WEC)

    Voor het voortgezet onderwijs geldt bovendien dat een onderwijsactiviteit aan drie voorwaarden moet voldoen om als onderwijstijd in de zin van de wet te kunnen worden gezien:

    1. de activiteit is bewust gepland en verzorgd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag;
    2. de activiteit is uitgevoerd onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van een leraar of een ander die hier op grond van de wet mee belast mag worden;
    3. de medezeggenschapsraad moet er vooraf mee hebben ingestemd.

    Lees hier meer over de wet- en regelgeving rondom de inkoop van expertise, materiaal en onderwijsprogramma’s bij particuliere aanbieders.

Informatie over passend onderwijs

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • Uit AMvB PO

    WPO:

    Artikel 34.8. Deskundigen samenwerkingsverband

    De deskundigen, bedoeld in artikel 18a, elfde lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

    Uit hoofdstuk 1: nadere voorschriften per onderdeel

    1.2 Deskundigen verbonden aan het samenwerkingsverband

    In dit besluit is, op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs, geregeld door welk type deskundigen het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het (voortgezet) speciaal onderwijs.

    In dit besluit is bepaald dat voor de toelating tot het speciaal basisonderwijs en voor toelating tot het (voortgezet) speciaal onderwijs het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren door ten minste twee deskundigen waaronder in elk geval een orthopedagoog of een psycholoog. De tweede deskundige is afhankelijk van de ondersteunings-vraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school). Dit is een psycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater.

    Het samenwerkingsverband kan er voor kiezen om extra deskundigen te betrekken bij het advies over de toelaatbaarheid van een leerling. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het samenwerkingsverband relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het samenwerkingsverband.

    Er is gekozen voor een orthopedagoog omdat deze beschikt over een brede deskundigheid ten aanzien van kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek, en bij voorkeur relevante werkervaring. Daarnaast is gekozen voor een psycholoog.

    Aanbevolen wordt dat het samenwerkingsverband kiest voor een psycholoog die beschikt over relevante werkervaring en kennis van kind- en systeemniveau, zodat deze deskundig is voor wat betreft de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en het systeem waarin zij opgroeien.

    De inzet van de deskundigen ten behoeve van de toelaatbaarheidsbeoordeling, zoals hiervoor beschreven, sluit aan bij de regeling in de wet passend onderwijs dat het samenwerkingsverband kan adviseren over de ondersteuningsbehoefte en over het ontwikkelingsperspectief van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school die is aange-sloten bij het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband kan hiervoor de genoemde deskundigen inzetten.

  • Vanaf 14 juli 2019 mogen hulphonden in geen enkele openbare gelegenheid meer worden geweigerd. Onder openbare ruimtes vallen restaurants, hotels, openbare gebouwen, scholen maar ook taxi’s. Deze wetgeving is het gevolg van de ratificatie door Nederland van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Sinds het Verdrag in werking is getreden houdt het College voor de Rechten van de Mens toezicht op de implementatie en de naleving van het Verdrag.

  • Informatie over het onderwijssysteem en passend onderwijs is te vinden op www.european-agency.org. Daar kunt u klikken op landeninformatie en dan Nederland.

  • Wanneer nieuwkomers binnen het samenwerkingsverband onder ‘extra ondersteuning’ vallen, is een opp verplicht en gelden voor het opp de eisen van de Wet Passend Onderwijs.

    Voor meer informatie over nieuwkomers kijk ook eens naar ‘Maatwerk voor nieuwkomers’. Daarnaast ondersteunt Lowan Primair Onderwijs (PO) de scholen die nieuwkomers, asielzoekers opvangen binnen het primair onderwijs en plaatsen regelmatig nieuws op de site. Denk hierbij aan goede voorbeelden, onderzoek of over de rol van samenwerkingsverbanden.

    Verder biedt bij Lowan Voortgezet Onderwijs (VO) ondersteuning aan scholen in het voortgezet onderwijs, die het eerste onderwijs aan nieuwkomers verzorgen. Op hun website is meer informatie te vinden over ontwikkelde producten, die richting geven aan het onderwijsaanbod voor nieuwkomers. Denk hierbij aan informatie over toetsing en portfolio, leerlijnen, het doorstroomdossier, handreiking NT2 voor docenten in het vo en mbo.

  • Nee, dat is niet mogelijk. Tijdens de wetsbehandeling in 2014 heeft de Tweede Kamer besloten om de mogelijkheid om eigen criteria op te stellen voor het praktijkonderwijs (via opting out) uit de wet te halen. Daarnaast heeft minister Slob in 2018 besloten om de landelijke criteria voor pro te behouden. Voor lwoo is een opting out wel mogelijk. Het samenwerkingsverband kan eigen criteria opstellen over de toewijzing en duur van lwoo en over de voorwaarden waarop scholen in aanmerking komen voor lwoo-bekostiging. Dit kan alleen als besturen in het samenwerkingsverband het daarmee eens zijn.

  • Voor het samenwerkingsverband een beslissing neemt over het toewijzen van de ondersteuning voor lwoo en pro, moeten twee deskundigen advies geven. Net als bij het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so. De eerste deskundige is een orthopedagoog of psycholoog. Afhankelijk van de leerling geeft ten minste een tweede deskundige advies. Dit is een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker, een arts, of een deskundige op het terrein van vmbo en pro. Deze laatste deskundige is specifiek toegevoegd voor de toewijzing van lwoo en pro. De vmbo-/pro-deskundige is een deskundige met relevante werkervaring en kennis over de schoolsoorten vmbo en praktijkonderwijs. Bijvoorbeeld een onderwijskundige met een aantal jaar werkervaring in het vmbo en pro.

    Het is niet verplicht om een vmbo-/pro-deskundige te betrekken, maar het wordt met name aanbevolen als het gaat om leerlingen die zich op het grensvlak van lwoo en pro bevinden. Reden hiervoor is dat het samenwerkingsverband goed moet kunnen inschatten of een leerling wel of niet in staat is om – met extra ondersteuning – een vmbo-diploma te halen. Het gaat hier dus niet alleen om een keuze over de ondersteuning die een leerling krijgt, maar ook over de schoolsoort waar de leerling naartoe gaat.

  • In uitzonderingsgevallen mag een leerling vanuit groep 7 doorstromen naar praktijkonderwijs wanneer de leerling 8 jaar basisonderwijs heeft gevolgd, wanneer de directeur van de po-school hiervoor een positief advies geeft. Meer informatie is te vinden in artikel 39 lid 4 van de WPO: “Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.” Een maatwerktraject (onderwijs op andere locatie) waarbij de leerling nog blijft ingeschreven op de po-school is ook een mogelijkheid.

  • Ja, dat mag. Zowel bij het begin van de schoolloopbaan vo als tussentijds.

  • Nee, dit mag niet. Als een leerling een vmbo-advies heeft gekregen van de basisschool, maar van de RVC een pro-indicatie krijgt, kan de leerling door de ouders op het vmbo worden aangemeld. In dat geval is het schooladvies leidend en laat de vmbo-school de leerling toe. De ouders kunnen er ook voor kiezen om de leerling op het pro aan te melden, waar de leerling eveneens toelaatbaar is. Als een leerling een pro-indicatie heeft, heeft de leerling een ondersteuningsbehoefte. Als de leerling wordt aangemeld bij een vmbo-school, heeft de school zorgplicht.

    De school kijkt dan of ze de juiste ondersteuning kan bieden, al dan niet met lwoo of een andere vorm van ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. Als de leerling lwoo krijgt aangeboden, kan de school de leerling met een pro-indicatie inschrijven als lwoo-leerling. Daar hoeft geen aparte lwoo-indicatie voor te worden aangevraagd. Kan de school de leerling niet de juiste ondersteuning bieden, bijvoorbeeld omdat de school geen lwoo-licentie heeft, of de ondersteuningsbehoefte groter is dan de school kan bieden? Dan zorgt de school er in het kader van de zorgplicht voor dat de leerling op een andere passende plek binnen het samenwerkingsverband kan worden toegelaten.

  • In het ondersteuningsplan legt het samenwerkingsverband vast hoe passend onderwijs in hun regio wordt vormgegeven. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar opgesteld. Het ondersteuningsplan is gebaseerd op de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen.

    Inhoud van het ondersteuningsplan

    In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband VO-VSO worden de volgende onderdelen beschreven:

    • Welke basisondersteuning wordt geboden aan leerlingen op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van voorzieningen organiseert voor extra ondersteuning binnen de scholen en/of bovenschools;
    • De procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) of het praktijkonderwijs (pro); de procedure en criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en de duur van de ondersteuningstoewijzing lwoo;
    • De procedure en het beleid voor de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen van wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen;
    • De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben;
    • De manier waarop het samenwerkingsverband ouders informeert over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders;
    • Financiën:
      – De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting. Het gaat hierbij zowel om het budget voor zware ondersteuning als voor lichte ondersteuning.
      – De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (v)so, inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor zware ondersteuning.
      – De voorwaarden die worden gelden voor scholen om in aanmerking te komen voor een LWOO-licentie en daarmee voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

    Vaststelling ondersteuningsplan

    Voordat het plan kan worden vastgesteld, voert het samenwerkingsverband op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n). Ook moet de ondersteuningsplanraad (OPR) instemmen met het ondersteuningsplan.

  • Afstemming beleid samenwerkingsverbanden en gemeenten

    Jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte in het onderwijs hebben soms ook zorg, jeugdhulp of begeleiding naar een plaats op de arbeidsmarkt nodig. Gemeenten spelen daarbij een belangrijke rol. Vanaf januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, bevordering van participatie en maatschappelijke ondersteuning (wmo). Om te zorgen voor zo goed mogelijke samenwerking tussen professionals die met jongeren werken, stemmen samenwerkingsverbanden en gemeenten hun beleidsplannen af. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, het leerlingenvervoer, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Onderwerpen die relevant zijn voor scholen.

    Samenwerkingsverband en gemeenten voeren daarom Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) over het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband en over de voor het onderwijs relevante onderdelen van het beleidsplan jeugd van de gemeente(n).

    OOGO ondersteuningsplan

    De Wet passend onderwijs verplicht samenwerkingsverbanden om ten minste eenmaal in de 4 jaar een ondersteuningsplan op te stellen. Over het concept-ondersteuningsplan voeren de samenwerkingsverbanden op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n) in het gebied van het samenwerkingsverband. Doel hiervan is de ondersteuning aan jongeren zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
    De volgende thema’s kunnen in het overleg ter sprake komen:

    • Samenhang in de ondersteunings- en hulpstructuur voor jeugd en gezinnen, door scholen en gemeenten;
    • De overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs en van vmbo naar mbo;
    • Thuiszittende leerplichtige leerlingen (thuiszitters);
    • Leerlingenvervoer;
    • Onderwijshuisvesting;
    • Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt.

    OOGO jeugd

    Ook voor gemeenten is goede afstemming en samenwerking met het onderwijs van belang nu ze vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk zijn voor alle ondersteuning, hulp en zorg aan kinderen, jongeren en opvoeders. De school zorgt voor onderwijsondersteuning, de gemeente voor extra zorg voor kind en gezin waar dat nodig is. Door de inzet van onderwijsondersteuning en zorg af te stemmen, kunnen onderwijs en gemeenten wel een integraal aanbod bieden dat uitgaat van 1 kind, 1 gezin, 1 plan.
    Volgens de nieuwe Jeugdwet moeten samenwerkingsverbanden en gemeenten op overeenstemming gericht overleg (OOGO) voeren over het conceptjeugdplan, voor zover dit het onderwijs raakt. Pas daarna kan het beleidsplan definitief door de gemeenteraad worden vastgesteld. De vorm en invulling van het OOGO jeugd zijn niet voorgeschreven in de Jeugdwet. Samenwerkingsverbanden en gemeenten kunnen hier zelf invulling aan geven.

    Meer informatie

    Informatie over de verbinding tussen passend onderwijs en zorg voor de jeugd

Passend onderwijs in de school en de klas

Samenwerking onderwijs en jeugdhulp

  • Het komt voor dat ouders hun kind thuis houden uit angst voor corona of omdat ze het onderwijsaanbod niet passend vinden. Uiteraard ga je als school dan eerst met de ouders in gesprek om te proberen samen tot een oplossing te komen.

    Formeel valt het onthouden van onderwijs onder het begrip ‘kindermishandeling’ en onder toepassing van de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’. De laatste stap van deze meldcode is een melding bij Veilig Thuis.

    Echter, in het ‘Handelingskader kindermishandeling en huiselijk geweld’ staat hierover het volgende: ‘Onderwijsprofessionals moeten ervoor waken dat deze laatste stap uit de meldcode niet te licht wordt genomen. Immers, verschil van inzicht over de onderwijsondersteuningsbehoefte van een kind is niet per definitie een signaal van kindermishandeling. In stap 2 van de meldcode (collegiale consultatie, advies Veilig Thuis of andere deskundige) dient men zich hiervan nadrukkelijk te vergewissen, evenals van de juiste uitvoering van stap 3 (gesprek met de ouders).’

    Ga in deze gevallen  dus niet te snel over tot melding, maar onderzoek de situatie eerst goed wat de situatie is. En in de hierboven genoemde gevallen waarbij er iets anders speelt dan mishandeling of verwaarlozing, vervolgens samen met ouders naar oplossingen te zoeken.

     

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • Bij het opstellen van het Model Privacy Convenant Samenwerking Onderwijs-Gemeente-Jeugdhulp – 18 augustus 2021 is geen DPIA opgesteld. De partijen die in de regio het convenant afsluiten moeten zelf afwegen of een DPIA noodzakelijk is. Een DPIA is aan orde als verwerking van persoonsgegevens gepaard gaat met hoge risico’s in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

    Het Convenant gaat er van uit dat er geen nieuwe verwerkingsverantwoordelijke ontstaat, elke partij neemt uit het casusoverleg alleen die persoonsgegevens mee die nodig zijn voor de eigen taak. Er wordt in die situatie dus ook geen nieuwe digitaal systeem gebouwd waarin persoonsgegevens worden ondergebracht. De inzet van nieuwe technologieën voor verwerking van persoonsgegevens is dus niet aan de orde (AVG benoemt dit als indicator voor DPIA).

    Het gaat wel om gevoelige persoonsgegevens (met name gezondheidsgegevens). Bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet er een DPIA worden uitgevoerd. De vraag is of casusoverleg valt onder de noemer grootschalig; op schoolniveau gaat het om zeer kleine aantallen (thuiszitters zijn vaak op 1 hand te tellen). Op het niveau van het SWV gaat het om meer leerlingen, maar de vraag is of dit valt onder categorie grootschalig.

    Het Convenant heeft wel rekening gehouden met mogelijke risico’s die verbonden zijn aan gegevensuitwisseling in de context van meerdere partijen en daar is aandacht aan besteed met o.a. de volgende bepalingen:

    • Alleen gegevens uitwisseling met het oog op de eigen taak (doelbepaling);
    • Niet meer gegevens uitwisselen dan strikt nodig (werken met buitenkant informatie);
    • Toestemming goed regelen van betrokkene in het kader de geheimhoudingsplicht van professionals (toestemmingsformulier);
    • Betrokkene/ouders wordt uitgenodigd voor Casusoverleg en is in principe zelf aanwezig;
    • Bij elke fase in Casusoverleg bepalen voor welk doel, welke informatie van wie nodig is (bijlage inrichting casusoverleg);
    • Elke partij is als verwerkingsverantwoordelijke belast met beveiliging van persoonsgegevens (toegang bepalen, meerfactor authenticatie etc.).

    Het is vooral zaak dat elke partij voor zichzelf nagaat of met name de gezondheidsgegevens die verwerkt worden in de eigen gegevensverwerking naar aanleiding van het Casusoverleg voor betrokkene een hoog risico opleveren.

  • Soms heeft een leerling naast onderwijsondersteuning ook begeleiding, persoonlijke, verzorging en/of  verpleging nodig tijdens de onderwijsuren. De handreiking onderwijs en zorg is bedoeld als hulpmiddel voor ouders en scholen bij het voeren van gesprekken over de benodigde zorg in het onderwijs. Download hier de handreiking.

    Onderwijszorgconsulenten

    Onderwijszorgconsulenten ondersteunen ouders en scholen die problemen ervaren bij het ontwikkelen van een onderwijszorgarrangement voor een individuele leerling en daar samen niet uitkomen. Het gaat om leerlingen voor wie zorg op school voorwaardelijk is voor het kunnen volgen van onderwijs.

    Meer informatie: www.onderwijsconsulenten.nl/advies/onderwijszorgconsulenten/

Staat je vraag er niet bij? Stel je vraag aan onze helpdesk