Banner

Bestuurlijke samenwerking en samenwerkingsverbanden

Om kinderen en jongeren met extra ondersteuningsbehoeften een passende plek en goede ondersteuning te bieden werken de schoolbesturen en scholen samen in samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het samenwerkingsverband wijst de extra ondersteuning toe.

Dit dossier bevat informatie over de beleidsmatige kant van het samenwerkingsverband, de bedrijfsvoering, de verantwoording en de organisatorische inrichting. Ook tref je informatie aan over het op overeenstemming gericht overleg (OGOO), de afgifte van de toelaatbaarheidsverklaring (TLV’), toezicht (intern en extern) en over de kwaliteit van de bestuurlijke samenwerking (inclusief de cultuuraspecten). De opbouw van het kennisdossier staat hier naast weergegeven.

icnMeer lezenSluit

Samen leren

Het Steunpunt Passend Onderwijs organiseert verschillende activiteiten voor (leidinggevenden van) samenwerkingsverbanden, zoals informatiebijeenkomsten en activiteiten rond het ‘Samen leren’. Ook ontwikkelt het steunpunt ondersteunende tools voor samenwerkingsverbanden. Inzet van de activiteiten is samenwerkingsverbanden te ondersteunen bij de uitvoering en de verbetering van passend onderwijs.

  • Banner
    Netwerkbijeenkomsten samenwerkingsverbanden en gemeenten

    Tijdens netwerkbijeenkomsten ontmoeten medewerkers van samenwerkingsverbanden en gemeenten elkaar rond gedeelde vraagstukken en actuele thema’s.…

    Lees meer

  • Banner
    Netwerk kwaliteitszorg

    Het Steunpunt Passend Onderwijs, de Sectorraad Samenwerkingsverbanden VO en het Netwerk LPO organiseren voor leidinggevenden…

    Lees meer

Banner
¡Inclusie is een werkwoord!

Bekijk terugblik

Veelgestelde vragen

  • Het is belangrijk dat er een transparante samenhang is tussen de inhoudelijke plannen van het samenwerkingsverband en de inzet van de financiën. Een programmatisch opgebouwde begroting voorziet hier in.

    Verder is het van belang te weten wat het financieel perspectief van het samenwerkingsverband is, krijgt men de komende jaren te maken met een verandering in bekostiging, krimp of beleidswijzing? Tenslotte is het van groot belang dat het samenwerkingsverband het financieel management goed vorm geeft, zodat men ín control’ is. Zie voor meer tips de volgende handreiking over de kwaliteit van de beleidsdocumenten swv’en: Handreiking voor het verbeteren van de kwaliteit van beleidsdocumenten swv’s

  • De indicatiestelling voor lwoo staat los van het schooladvies. Sommige basisscholen geven het schooladvies ‘vmbo met lwoo’. Het tweede gedeelte van dit advies – ‘met lwoo’ – is geen onderdeel van het schooladvies. Het is een constatering over de ondersteuning die deze leerling naar verwachting nodig heeft na plaatsing op de betreffende schoolsoort. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor lwoo. Het vmbo-advies is wel leidend. Het uiteindelijke besluit over toewijzing van lwoo-bekostiging ligt bij het samenwerkingsverband.

  • Het schooladvies van de basisschool is leidend voor toelating tot het vmbo, havo en vwo. Het pro is uitgezonderd van het leidende karakter van het schooladvies, omdat er een indicatiestelling nodig is om toegelaten te worden tot het pro. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs via het schooladvies bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor pro. Voor de toelating tot het pro geldt dezelfde werkwijze als voorheen. Het uiteindelijke besluit voor de toelating tot praktijkonderwijs ligt bij het samenwerkingsverband.

  • Uit AMvB PO

    WPO:

    Artikel 34.8. Deskundigen samenwerkingsverband

    De deskundigen, bedoeld in artikel 18a, elfde lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.

    Uit hoofdstuk 1: nadere voorschriften per onderdeel

    1.2 Deskundigen verbonden aan het samenwerkingsverband

    In dit besluit is, op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs, geregeld door welk type deskundigen het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het (voortgezet) speciaal onderwijs.

    In dit besluit is bepaald dat voor de toelating tot het speciaal basisonderwijs en voor toelating tot het (voortgezet) speciaal onderwijs het samenwerkingsverband zich moet laten adviseren door ten minste twee deskundigen waaronder in elk geval een orthopedagoog of een psycholoog. De tweede deskundige is afhankelijk van de ondersteunings-vraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school). Dit is een psycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater.

    Het samenwerkingsverband kan er voor kiezen om extra deskundigen te betrekken bij het advies over de toelaatbaarheid van een leerling. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het samenwerkingsverband relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het samenwerkingsverband.

    Er is gekozen voor een orthopedagoog omdat deze beschikt over een brede deskundigheid ten aanzien van kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek, en bij voorkeur relevante werkervaring. Daarnaast is gekozen voor een psycholoog.

    Aanbevolen wordt dat het samenwerkingsverband kiest voor een psycholoog die beschikt over relevante werkervaring en kennis van kind- en systeemniveau, zodat deze deskundig is voor wat betreft de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en het systeem waarin zij opgroeien.

    De inzet van de deskundigen ten behoeve van de toelaatbaarheidsbeoordeling, zoals hiervoor beschreven, sluit aan bij de regeling in de wet passend onderwijs dat het samenwerkingsverband kan adviseren over de ondersteuningsbehoefte en over het ontwikkelingsperspectief van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school die is aange-sloten bij het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband kan hiervoor de genoemde deskundigen inzetten.

  • Bij het opstellen van het Model Privacy Convenant Samenwerking Onderwijs-Gemeente-Jeugdhulp – 18 augustus 2021 is geen DPIA opgesteld. De partijen die in de regio het convenant afsluiten moeten zelf afwegen of een DPIA noodzakelijk is. Een DPIA is aan orde als verwerking van persoonsgegevens gepaard gaat met hoge risico’s in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

    Het Convenant gaat er van uit dat er geen nieuwe verwerkingsverantwoordelijke ontstaat, elke partij neemt uit het casusoverleg alleen die persoonsgegevens mee die nodig zijn voor de eigen taak. Er wordt in die situatie dus ook geen nieuwe digitaal systeem gebouwd waarin persoonsgegevens worden ondergebracht. De inzet van nieuwe technologieën voor verwerking van persoonsgegevens is dus niet aan de orde (AVG benoemt dit als indicator voor DPIA).

    Het gaat wel om gevoelige persoonsgegevens (met name gezondheidsgegevens). Bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet er een DPIA worden uitgevoerd. De vraag is of casusoverleg valt onder de noemer grootschalig; op schoolniveau gaat het om zeer kleine aantallen (thuiszitters zijn vaak op 1 hand te tellen). Op het niveau van het SWV gaat het om meer leerlingen, maar de vraag is of dit valt onder categorie grootschalig.

    Het Convenant heeft wel rekening gehouden met mogelijke risico’s die verbonden zijn aan gegevensuitwisseling in de context van meerdere partijen en daar is aandacht aan besteed met o.a. de volgende bepalingen:

    • Alleen gegevens uitwisseling met het oog op de eigen taak (doelbepaling);
    • Niet meer gegevens uitwisselen dan strikt nodig (werken met buitenkant informatie);
    • Toestemming goed regelen van betrokkene in het kader de geheimhoudingsplicht van professionals (toestemmingsformulier);
    • Betrokkene/ouders wordt uitgenodigd voor Casusoverleg en is in principe zelf aanwezig;
    • Bij elke fase in Casusoverleg bepalen voor welk doel, welke informatie van wie nodig is (bijlage inrichting casusoverleg);
    • Elke partij is als verwerkingsverantwoordelijke belast met beveiliging van persoonsgegevens (toegang bepalen, meerfactor authenticatie etc.).

    Het is vooral zaak dat elke partij voor zichzelf nagaat of met name de gezondheidsgegevens die verwerkt worden in de eigen gegevensverwerking naar aanleiding van het Casusoverleg voor betrokkene een hoog risico opleveren.

  • In de wet staat dat een onderwijsinstelling geen bekostiging ontvangt voor een leerling wanneer hij vóór 1 oktober meer dan 50% van de onderwijstijd ongeoorloofd verzuimd. Afwijken van de onderwijstijd op grond van de beleidsregel inzake het instemmen met afwijking onderwijstijd (Variawet) is echter geen ongeoorloofd verzuim. Er is voor deze leerling immers (tijdelijk) een ander aantal onderwijsuren vastgesteld.

  • Er leven veel vragen rond privacy en het delen en verwerken van persoonsgegevens tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden. Deze verzameling van de veelgestelde vragen geeft antwoorden.

    In deze FAQ staan antwoorden op vragen rond de volgende onderwerpen:

    • Vragen over Convenant
    • AVG, verschillende wetgeving en beroepscodes
    • Vragen over proces en rol ouders

    Privacyconvenant

    Met het Privacy Convenant worden afspraken vastgelegd tussen gemeenten, jeugdhulp en samenwerkingsverbanden over het verwerken van persoonsgegevens van jongeren (en eventueel hun ouders) in de samenwerking tussen deze partijen.

  • Indien de onafhankelijk voorzitter lid wordt van het intern toezichthoudend orgaan heeft hij automatisch stemrecht, net als de overige leden van dit orgaan. Dit stemrecht kan hem dan niet worden onthouden. Het samenwerkingsverband kan ook kiezen voor een voorzitter zonder stemrecht, maar dan is juridisch gezien de voorzitter geen lid van dit orgaan. De voorzitter is dan niet bevoegd om formele documenten te tekenen (zoals het jaarverslag) en is ook niet ingeschreven bij de kamer van koophandel. Het samenwerkingsverband dient in dit situatie dus een formele voorzitter uit eigen kring te benoemen (de zgn. statutaire voorzitter). De statutaire voorzitter is wel tekeningsbevoegd en wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

  • Dit hoeft niet het geval te zijn. Een onafhankelijk voorzitter wil zeggen dat die persoon geen enkel persoonlijk of zakelijk belang heeft bij het samenwerkingsverband of bij een van de aangesloten schoolbesturen. Het wil niet zeggen dat de onafhankelijk voorzitter geen mening mag hebben of altijd ‘beleidsneutraal’ moet zijn. Een onafhankelijk voorzitter die lid is van het intern toezichthoudend orgaan (en dus stemrecht heeft) zal zich net als de overige leden mede-verantwoordelijk voelen voor het intern toezicht. De voorzitter zal zich uiteraard concentreren op zijn voorzitterstaak maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid om net als de overige leden op inhoud zich constructief-kritisch op te stellen jegens het bestuur van het samenwerkingsverband.

  • De leden van de raad van toezicht worden geworven op basis van een kwaliteitsprofiel. Over dit profiel moet het bestuur van het samenwerkingsverband advies vragen aan de OPR. De OPR kan aangeven bij welk profiel zij het vinden passen om een bindende voordracht te doen. Er zijn verschillende profielen mogelijk. Veelal is sprake van een specifiek expertiseprofiel, bijvoorbeeld iemand uit het sociaal domein, de jeugdhulp of de financiële hoek. Ook een stakeholders-profiel is mogelijk (iemand die ervaring heeft met medezeggenschap of belangenbehartiging van ouders, personeel, leerlingen); een lid met een stakeholdersprofiel heeft als aandachtsgebied te letten op de belangen van leerlingen, ouders en personeel van de scholen). Ook een lid dat op bindende voordracht van de OPR wordt benoemd is onafhankelijk, en fungeert zonder ‘last of ruggespraak’.

  • De onafhankelijk voorzitter fungeert als regisseur van het governanceproces. Voor deze benoeming is een breed draagvlak nodig bij in elk geval de aangesloten schoolbesturen en de directeur-bestuurder van het samenwerkingsverband. Het is belangrijk dat deze personen ook een beslissende stem hebben in de benoeming. Dit sluit niet uit dat ook de OPR hierin een belangrijke rol kan vervullen, maar niet exclusief. Een OPR-vertegenwoordiger kan onderdeel zijn van de benoemingsadviescommissie (BAC) die belast is met de selectie van een onafhankelijk voorzitter en het doen van een voordracht ter benoeming. Indien sprake is van een unaniem BAC-advies en een positief advies van de directeur-bestuurder, is er niets op tegen om de betrokken kandidaat (tevens formeel) te laten voordragen door de OPR.

  • Nee, de raad van toezicht moet integraal toezicht kunnen uitoefenen. Het is niet toegestaan om bijvoorbeeld het goedkeuren van het beleid exclusief bij de aangesloten schoolbesturen neer te leggen (in de deelnemersraad of in de algemene vergadering). De raad van toezicht dient niet alleen de begroting goed te keuren maar ook het ondersteuningsplan. De begroting is immers de financiële vertaling van de inhoudelijke beleidsvoornemens van het samenwerkingsverband. De onderwijswetgeving eist bovendien dat niet alleen de begroting maar ook de strategische beleidsplannen door de intern toezichthouder moeten worden goedgekeurd.

  • De werkgeversfunctie is een van de functies van de raad van toezicht. Het maakt echter verschil welk bestuursmodel van toepassing is. Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit de aangesloten schoolbesturen dan is het praktisch ondenkbaar dat de raad van toezicht het bestuur ontslaat omdat het bestuur immers bestaat uit de aangesloten schoolbesturen (waarbij de schoolbesturen een wettelijke plicht hebben tot aansluiting op straffe van bekostigingssancties). Als sprake is van een vertrouwenscrisis tussen de aangesloten schoolbesturen en de raad van toezicht is eerder aan te nemen dat dit zal leiden tot vertrek van de intern toezichthouders. Dit laat onverlet dat de raad van toezicht wel kan ingrijpen bij een disfunctionerend bestuurslid door dit bestuurslid bijvoorbeeld voor een bepaalde periode te schorsen.

    Als het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een directeur-bestuurder berust de werkgeversfunctie (benoemen, schorsen en ontslaan, arbeidsvoorwaarden etc.) bij de raad van toezicht. De directeur-bestuurder is ‘de spin in het governance-web’. Het is aan de raad van toezicht om voldoende in verbinding te staan met de schoolbesturen, het personeel van het samenwerkingsverband en de ondersteuningsplanraad om een goed beeld te hebben van het functioneren van de directeur-bestuurder en met deze input (naast de eigen waarneming) de jaarlijkse gesprekkencyclus vorm te geven.

  • Docenten, ouders en scholieren kunnen invloed uitoefenen op passend onderwijs binnen een school en op het beleid van een samenwerkingsverband.

    Medezeggenschap op scholen

    Elke school heeft een medezeggenschapsraad (MR), waarin ouders, personeel en – in het voortgezet onderwijs – ook leerlingen zitten. De MR denkt actief mee over het beleid van de school. De MR van de school heeft adviesrecht op het vaststellen van het schoolondersteuningsprofiel. In dit profiel beschrijft de school welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen en hoe deze ondersteuning is georganiseerd.

    Medezeggenschap samenwerkingsverband

    De ondersteuningsplanraad (OPR) is een speciale medezeggenschapsraad van een samenwerkingsverband. In de OPR zitten ouders, personeel en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen. De leden van de OPR worden afgevaardigd door de MR van de scholen, maar zij hoeven zelf niet in de MR te zitten. De OPR bestaat uit minimaal 4 leden, evenredig verdeeld over de ouder/ leerling-geleding en de personeelsgeleding. Minimaal twee keer per jaar moet het samenwerkingsverband overleg organiseren tussen de intern toezichthouder en de OPR.

    De OPR heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. In dit plan staan onder meer de afspraken van het samenwerkingsverband over de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Ook wordt beschreven welke leerlingen een plek kunnen krijgen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en hoe de verdeling van het geld is. Het ondersteuningsplan wordt ten minste 1 keer per 4 jaar aangepast. De OPR moet dit plan goedkeuren voor het samenwerkingsverband het naar de Inspectie van het Onderwijs mag sturen.

    Wet medezeggenschap op scholen

    Op deze website vind je (actuele) informatie over de Wet medezeggenschap op scholen.

  • Tegen zo’n besluit kunnen ouders, maar ook het schoolbestuur, binnen zes weken na afgifte van de tlv bezwaar indienen bij het samenwerkingsverband. Elk samenwerkingsverband heeft voor de bezwaarschriftprocedure een (bezwaar)adviescommissie. De meeste samenwerkingsverbanden hebben zich hiervoor aangesloten bij de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT). De LBT is ondergebracht bij Onderwijsgeschillen. Op de website van Onderwijsgeschillen staat te lezen hoe zo’n bezwaarprocedure in zijn werk gaat. Daar is ook een formulier te vinden waarmee bezwaar ingediend kan worden bij het samenwerkingsverband.

    Meer informatie: Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT).

  • De school voor voortgezet (speciaal) onderwijs waar de leerling wordt aangemeld moet de toelaatbaarheidsverklaring aanvragen. Dat doet de school bij het samenwerkingsverband passend onderwijs waar de leerling woont. Het ministerie van OCW heeft stroomschema’s ontworpen voor vier situaties. Deze stroomschema’s laten zien welke procedures een school moet doorlopen als een leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft.

  • Nee, het is niet wettelijk verplicht dat ouders en/of voogd een tlv-aanvraag ondertekenen. Sommige scholen en samenwerkingsverbanden vragen dit wel van ouders. Dit is hun eigen beleid.

    Uitgangspunt is dat de school met ouders bespreekt wat het ontwikkelingsperspectief OPP) is van de leerling, welke ondersteuning een leerling nodig heeft. De ouders moeten het OPP ondertekenen. Het is belangrijk dat de school uitlegt aan ouders waarom zij een tlv wil aanvragen voor het vso en dat ouders instemmen met de aanvraag.

    Tegen een besluit van een samenwerkingsverband over een toelaatbaarheidsverklaring kunnen betrokken ouders, maar ook het schoolbestuur, bezwaar indienen. Elk samenwerkingsverband is wettelijk verplicht voor deze bezwaarschriftprocedure een (bezwaar)adviescommissie te hebben. Die adviescommissie brengt een advies uit aan het samenwerkingsverband dat vervolgens een beslissing moet nemen op het bezwaar.

    Er is een Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring (LBT).