Banner

In Zo doen zij dit, laten we professionals uit de praktijk aan het woord. Met onderwerpen over de weg naar passend en inclusief onderwijs en alles daartussen. Er wordt belicht wat goed gaat, maar ook waar leerpunten liggen. Via deze verhalen hopen wij vanuit Steunpunt Passend Onderwijs (SPO) anderen in het werkveld te inspireren.

In deze Zo doen zij dit aandacht voor de werkwijze van Filios Scholengroep. Zij zien goed onderwijs met rust, ritme, regelmaat, routine en relatie, i.c.m. weten hoe leren werkt, schoolcultuur en sterk pedagogisch en didactisch handelen, als de weg naar inclusief onderwijs. Aan het woord zijn; Debby Joosten en Judith van der Linden, beiden o.a. trajectbegeleider passend onderwijs bij Filios Scholengroep.

 

Waarom hebben jullie het over goed onderwijs in plaats van inclusief onderwijs bij Filios Scholengroep?

Debby Joosten:
We werken Filios-breed met 20 scholen aan goed onderwijs. Dit staat uitgewerkt in onze koers “Ieder kind kansrijk in de wereld”. Een koers die ertoe leidt dat er nog beter onderwijs wordt geboden aan álle leerlingen. Er wordt veel voorkomen door goed klassenmanagement, goede didactiek en een veilig en stevig pedagogisch klimaat. Vanuit deze koers werken we met een Filios hamburger met hierin onder andere de vijf ‘R-en’; rust, ritme, regelmaat, routine en relatie. Deze “groene hamburger” is in al onze scholen bekend. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld afspraken maken hoe je in de gang loopt, waar je je jas en tas ophangt en hoe je je leerlingen begroet bij binnenkomst. Dit zorgt voor duidelijkheid en structuur binnen de hele school en minder prikkels leidt tot meer ruimte in het werkgeheugen van de leerlingen.

Judith van der Linden:
Bij inclusief onderwijs wordt er vaak aan een specifieke ondersteuningsbehoefte of handicap gedacht. Terwijl wij bij inclusief onderwijs ook uitgaan van de kinderen die in de basisschool op didactisch of pedagogisch gebied onvoldoende aan kunnen haken. Door de inhoud van de Filios hamburger toe te passen, merken wij dat ons onderwijsaanbod voor meer kinderen passend is.

Debby Joosten:
We hebben het dan over goed klassikaal onderwijs. Het convergent differentiëren binnen de klassensituatie, rekening houdend met niveauverschillen. We zetten geen leerlingen in een aparte leerlijn, maar zorgen ervoor dat we kortdurende ondersteuning inzetten via een arrangement met als doel weer aan te kunnen haken bij de lesstof.

 

Eén van de vijf R-en is rust, dat is lastig als een leerling vaak clownesk gedrag vertoont. Hoe pakken jullie dat dan aan?

Judith van der Linden:
Natuurlijk willen we zo voorspelbaar zijn dat een leerling dit gedrag niet hoeft te vertonen, maar het kan voorkomen. Leerkrachten werken dan bijvoorbeeld met een stappenplan en een plan van aanpak, waarin ze bepaalde interventies inzetten. Deze pas je 2x 21 dagen toe. Dit doen we, omdat bewezen is dat je dan pas kunt bepalen of het werkt of niet.

Debby Joosten:
De stap naar de intern begeleider werd in het verleden gemakkelijk gemaakt. Bij Filios kijken we naar de mogelijkheden en kracht van de leerkracht. Zij zijn de professional en kennen de leerling en de groepssituatie het beste om een goede interventie te kunnen doen. Dáár begint het mee.

Als dat niet werkt, dan ga je kijken: ‘Wie kan mij helpen?’ Dat kan een leerteam zijn, maar ook je duo of een collega die de leerling bijvoorbeeld in de klas gehad heeft.

Lukt het nog niet? Dan praat je met je intern begeleider. Deze schakelt ook niet meteen externe hulp in, maar kan even meekijken in je les. Wat kan nog aangescherpt worden? Waar hebben we nog iets gemist? Je versterkt zo echt de kracht van de leerkracht. Daarnaast is extra kennis aanreiken aan leerkrachten ook belangrijk en motiverend. Hoe werkt het brein van een kind, hoe werken de structuren in de hersenen, hoe werkt leren? Wanneer je dat weet en kunt toepassen, dan weet je ook hoe goede lessen eruit moeten zien.

 

Ouders zullen wel positief zijn, omdat kinderen op school kunnen blijven?

Judith van der Linden:
Dat ligt eraan. Wij zeggen niet dat alle leerlingen altijd op de reguliere basisschool zouden moeten blijven. Wij kijken altijd wat het beste is voor de leerling en/of de klas op dat moment. Sommige ouders willen juist dat hun kind naar het speciaal (basis) onderwijs gaat. Soms is dat niet de keuze van de school.

Debby Joosten:
Een interessante gedachte is; ‘Wat zou er overblijven van het gedrag van de leerling als we op school en thuis meer ritme, meer rust en regelmaat zouden bieden?’ Daarop insteken op school én thuis. Het lijkt soms makkelijker om te denken dat het kind geholpen of aangepast moet worden, maar je kunt ook in de omgeving aanpassingen doen die het kind helpen.

Judith van der Linden:
Onderzoeksbureaus geven soms in hun adviezen aan dat een s(b)o een betere plek voor een leerling zou kunnen zijn. Dit terwijl niet altijd zichtbaar is voor hen wat de school doet en kan. Dat is erg belangrijk om met elkaar te bespreken.

 

Jullie spreken ook van een mindset – van medicaliseren naar normaliseren – wat bedoel je daarmee?

Judith van der Linden:
We kijken minder naar labels zoals ADHD en meer naar wat de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van de leerling zijn. Daar ga je op inzetten. Soms moet een kind natuurlijk een onderzoek krijgen, maar overall is het niet zo van belang. Het begint allemaal met de mindset: “Iedereen kan het leren en ik zet een stapje harder voor jou, omdat je het nóg niet kan.”

Debby Joosten:
En dit niet alleen zeggen, maar echt zo voelen! Vinden dat kinderen echt allemaal kunnen leren en groeien. Dat betekent overigens niet dat alle kinderen naar het VWO gaan. Dat betekent een omgeving waar alle kinderen zo optimaal mogelijk kunnen leren, dáár zet je je voor in als leerkracht. Die mindset moet in de hele school zo zijn. Dat je in een teamkamer niet hoort: ‘Oh nee, ik krijg volgend jaar leerling X die heel druk gedrag vertoont.’ Ook dan is de mindset: kinderen kunnen leren en groeien.

Judith van der Linden:
Je mag natuurlijk best met je handen in het haar zitten hé? Dat je aangeeft: ‘Ik weet even niet hoe ik dit moet aanpakken.’ De mindset is dan nog steeds, dat ieder kind het kan leren en wij harder werken voor jou als dat nodig is. Je zal dan andere manieren moeten bedenken om de lesstof wel te laten beklijven, maar daar kan je zeker hulp bij vragen.

 

Jullie geven aan dat jullie veel minder verwijzen, slechts een kleine groep. Wanneer zeggen jullie, dit redden we zelf toch niet?

Debby Joosten:
Wij werken met levels van zorg. Als álle levels van zorg aangeboden zijn en het blijkt dat dit onvoldoende is geweest, dan pas verwijzen we. Bijvoorbeeld bij gevaar voor anderen. Het kan ook zijn dat de tijd en energie die de leerkracht erin steekt gewoon buiten proporties is.

Judith van der Linden:
Er zijn ook soms kinderen die ongelukkig zijn, die het nog steeds ondanks alle interventies té moeilijk vinden. Dat ouders aangeven: “Hij of zij loopt nog steeds op zijn tenen en we zien dat het eruit komt thuis”. Daarnaast moet het ook organisatorisch lukken. Is wat dit kind nodig heeft organisatorisch mogelijk binnen de klas? En soms is er ook een stukje thuis nodig, maar daar hebben wij beperkt invloed op.

 

Hebben jullie hulp, bijvoorbeeld via experts uit het speciaal onderwijs?

Debby Joosten:
Wij hebben vanuit het samenwerkingsverband Begeleiders Inclusief Onderwijs (BIO) die wij in kunnen zetten en bij hulpvragen meekijken. We hebben ook bepaalde trajecten, waarbij we OZAPP’s (Onderwijs Zorg Arrangement Psychiatrische-problematiek) kunnen aanvragen. Dit om mee te kijken als het gedrag dusdanig moeilijk is in de klas én er loopt een onderzoek. Dat gebeurt door een tussenpersoon, tussen onderzoek en de school. Deze kijkt wat er nog aan inzet mogelijk is in de huidige klas.

 

Hoe neem je mensen mee in de scholen?

Judith van der Linden:
Het proces wordt stapje voor stapje via directeuren, teamcoördinatoren en IB-ers (worden KC-ers) in de scholen geïntroduceerd. Wij hebben ongeveer vier keer per jaar een training met alle intern begeleiders, directeuren en teamcoördinatoren. Op die momenten zijn we allemaal bij elkaar en krijgen scholen dezelfde informatie. We willen spreken met dezelfde taal en daar wordt binnen Filios heel veel aandacht aan besteed. Het zit bijvoorbeeld ook in onze levels van zorg. Wij als trajectbegeleiding, kijken ook mee met intern begeleiders en daarbij letten we ook kritisch op het proces passend bij onze koers.

Debby Joosten:
Ook bij nieuwe sollicitanten wordt het meegenomen. Binnen Filios hebben we ook onze eigen ‘kweekvijver’ met nieuwe junior directeuren. Dat zorgt er al voor, dat als zij directeur worden op onze scholen, het gedachtengoed al in hun hele DNA zit. En leerkrachten zijn natuurlijk enorm belangrijk in dit proces. Zij moeten dus ook allemaal dezelfde basis hebben. Als zij bij Filios komen werken, geven we een soort ‘onboarding-informatie’. Co-teaching staat nog in de kinderschoenen, maar ook dat is belangrijk om de leerkrachtvaardigheden te versterken waar nodig.

Judith van der Linden:
Zichtbaarheid in de school helpt ook, de vijf ‘R-en’ zijn op alle scholen in meer of mindere mate zichtbaar. Binnen veel teams komt de groene hamburger, waaronder de mindset, in iedere vergadering even terug. Ook bij onderwijsgesprekken of startgesprekken worden er linkjes gelegd naar deze hamburger en de manier van werken die leidt tot meer inclusiviteit.

Debby Joosten:
Je vroeg ons naar weging, maar weging vinden we eigenlijk niet belangrijk. Hoe een structuur op school staat en wat het op kan leveren, heeft dus ook weer te maken met die mindset dat alle kinderen het kunnen leren. In Nederland zijn scholen waar een heel hoge weging is en ontzettend goed onderwijs gegeven wordt. Weging proberen we daarom zo min mogelijk mee te laten spelen, want dan krijg je een andere mindset; ‘Ja maar, mijn kinderen hebben zo’n hoge weging’. Dat wil je niet.

Judith van der Linden:
We gebruiken de term slow-cooking. De ene school gaat sneller mee dan de andere. Als leerkrachten veel extern attribueren, dus veel buiten zichzelf leggen, is het moeilijker om te geloven dat alle kinderen het kunnen leren. Leerkrachten die kritischer naar hun eigen gedrag kijken, leren beter om de juiste interventies in te zetten.

Debby Joosten:
Tot slot delen we onze koers ook met samenwerkingsverband en gemeente. We leggen in gesprekken of evaluaties uit wat onze visie is. Wij zitten zelf ook in overleggroepen met o.a. Jeugdzorg. Daar laten wij ook horen wat wij doen om te normaliseren en welke keuzes we daarbij maken. Al deze gesprekken zijn echt van waarde.

 

Wat zou je nog willen toevoegen?

Debby Joosten:
Als er op een school een cultuur is in de teamkamer waarbij veel wordt gepraat over ‘de lastige leerlingen’, dan is het heel moeilijk om dat te veranderen. Dat betekent iets voor de mindset en dus voor kansen van deze kinderen, want die worden daardoor gewoon echt kleiner. Wij zien door onze visie en koers leerkrachtgedrag veranderen, dat is zo mooi! Dat teams een traject ingaan met het idee, we gaan deze leerling houden tot groep 8. Want als je het traject ingaat vanuit het idee: ‘Als het niet lukt, dan kunnen we altijd nog verwijzen’, geef je het dan echt een kans?

Judith van der Linden:
Aan de mindset ‘ieder kind kan leren’, moet je wel blijven werken. Directeuren, teamcoördinatoren en intern begeleiders hebben de opdracht om hieraan een vervolg te geven. Er steeds voor zorgen dat het op de werkvloer een item blijft van constante aandacht. Want wij moeten ook leren en leren is herhalen, herhalen, herhalen…

 

Ook een inspirerend verhaal om te delen? Laat het ons weten via m.zandbergen@poraad.nl