Banner

In een aantal gevallen kan op basis van artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 een beroep worden gedaan op een vrijstelling van de leerplicht. Dit is wanneer:

  1. De jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten;
  2. Ouders tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning – of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland – gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.
  3. De jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.
  4. Ouders een trekkend bestaan leiden met hun kind, als kermisexploitant of circusmedewerker. In dit geval krijgt een kind onder voorwaarden een deel van het jaar een vrijstelling van de leerplicht.

De vrijstelling geldt voor één jaar; ouders moeten dus ieder jaar een nieuw beroep op een vrijstelling doen, altijd vóór 1 juli. Dat hoeft niet wanneer uit een eerdere verklaring blijkt dat een kind nooit in de gelegenheid zal zijn om een school of instelling te bezoeken. Ouders kunnen zich op een vrijstelling beroepen als zij een recente verklaring hebben van een arts die is aangewezen door burgemeester en wethouders. Vaak is dat een arts van de GGD. De arts mag niet een eigen huisarts zijn of een psycholoog of pedagoog die het kind behandelt. De vrijstelling ontstaat dan van rechtswege. Lees hier voor meer informatie over vrijstellingen.

Wetsvoorstel

Momenteel is er een wetsvoorstel in de maak met als doel ervoor te zorgen dat een vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder a van de Leerplichtwet, alleen wordt afgegeven, als dit het beste aansluit bij het kind. Om dat doel te bereiken, wordt in dit wetsvoorstel vastgelegd dat de arts die beoordeelt of een kind psychisch of lichamelijk niet geschikt is om onderwijs te volgen, ook altijd een advies vanuit een onderwijskundige benaderingswijze tot zijn beschikking heeft bij zijn afweging. Hiernaast moet ruimte worden geboden voor het in acht nemen van de ontwikkelingen in het onderwijs en in de zorg bij het ontstaan van de vrijstelling. Het voorstel is om de huidige tweedeling tussen enerzijds de vrijstelling voor een jaar en anderzijds de vrijstelling voor de duur van de gehele leerplichtige leeftijd, te laten vervallen.

Het voorstel is onlangs voorgelegd in internetconsultaties en er wordt nu gewerkt aan het verwerken van de reacties.

Voorliggendheid van onderwijs op zorg

Sinds 1 januari 2015 is de voorliggendheid van onderwijs op zorg met de hervorming van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten komen te vervallen. Onderwijs en langdurige zorg zijn sindsdien eenvoudiger te combineren omdat in de Wet langdurige zorg onderwijs niet langer als voorliggende voorziening wordt gezien. Een vrijstelling van de leerplicht is daarom niet meer nodig om zorg te kunnen ontvangen. Hierdoor kunnen onderwijs en langdurige zorg samen en tegelijk ondersteuning bieden.

Deze informatie is getoetst door het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs. Oktober 2020.